Geschiedenis en Buurt

interviews

 
 
laatst gewijzigd: 30 juni 2008aantal hits: 1052gemaakt door: geschiedenisproject  
 

Interview met Mien van der Meyden uit het boek "Moord en brandbuurt"

Harry Stork

 

 
 

 

 

Ik ben Mien van der Meyden, uit de Spaarndammerbuurt. M'n meisjesnaam is Swan, en ik ben 19 december 1929 geboren op het Zaandammerplein.

 

Het gezin had veertien kinderen met mekaar, maar die kwamen uit twee huwelijken. Toen de vierde op komst was stierf de eerste man van m'n moeder. Met 29 jaar was ze weduwe. M'n vader was weduwnaar vijf kinderen, vier jongens en een dochter, dus dat waren er samen 'n hele hoop. Nadat ze getrouwd waren kregen ze een gemeentewoning in de Spaarndammerbuurt met gelukkig vier slaapkamers, want die hadden ze wel nodig. En 'n klein keukentje. Het spoelhokkie noemden wij het altijd. Daar heb ze toch d'r leven lang, m'n moeder, in gekookt. Ze had n grote waterketel van de gemeente, die had m'n vader d'r bezorgd. Ze had 200 of 100 liter en ze kon de hele dag warm water gebruiken.

En ze maakte het altijd gezellig met valletjes en 'n lopertje erin, nou ja, noem maar op.

Dat spoelhokkie was zo groot als 'n wc'tje en dan zat er nog 'n grote vullisklep op de aanrecht, daar kon je dan je vuil in gooien. Dat werd beneden opgevangen in een grote emmer en 's maandags kwamen de vuilnismannen en die gooiden de deuren van dat afvalhok open. Die bak werd geleegd in de vuilauto en dan ging die lege ton er weer in. Daar zag je dan ook de ratten lopen en de vullisman die met een schep die beesten doodmaakte. Wat ik altijd een naar gezicht vond, maar ja.

 

We gingen naar de openbare school. De jongens op de Gerrit de Veerschool en de meiden op de Spitsbergenschool. Of andersom, dat kan ook.

De een zat op het plein, waar nu de Horizon zit en waar jarenlang Het Verzet geweest is. En we hadden Ons Huis in de buurt, daar waren we lid van. En je had de operette- en operaclub, maar dat heb ik nooit gedaan, want ik dacht altijd: ik kan niet zingen. Ik zat bij Ons Huis in de Nova Zemblastraat, dat was ook een oud schoolgebouw. Mijn moeder heb daar als kind nog op gezeten. Ze heb er niet zo veel geleerd, maar goed, ze kon in ieder geval lezen en schrijven.

Ik zat er op ritmisch dansen en de toneelclub, en dan voerden we Roodkapje op en Sneeuwwitje. De hoofdzangeres was altijd Christine, maar wij noemden haar bij d'r buurtnaam: Stientje Engel. Zij is later operazangeres geworden en ze trad al als hoofdzangeres op toen ze zelf nog 'n meissie was. In die toneelstukkies was ik vaak kabouter, want ik was klein, en dat was erg leuk. Dat vond ik gezellig. Verder had je nog een pitrietclub, daar zat m'n zuster op; je had de verfspuitenclub, die mooie kleedjes bespoten, daar zat m'n zuster ook op, en m'n broer Henk, in de oorlog nooit teruggekomen is, zat op vliegtuigen bouwen. Als de vakantie aanbrak moesten we een pakkie brood meenemen en dan gingen we naar Ons Huis. Dan liepen we helemaal naar Halfweg en daar waren allemaal tafels buiten gezet en dan ging je wat doen. Knippen of in ieder geval, je werd bezig gehouden.

 

Ik geloof niet dat ik op die school veel geleerd heb. Ja, rekenen en dat was m'n slechtste vak. Niet dat ze me later belazerden, want ik weet precies hoe ik met m'n centen om moet gaan. Je ging d'r 's morgens om negen uur naartoe en om twaalf uur kwam je er weer uit. Tussendoor gingen we nog wel 's in de tuin spelen en dan kreeg je dat knuppelgedoe met zo'n perrybal. Als je die weggeslagen had, moest je dat hele rondje lopen en dan had je gewonnen.

 

En we speelden veel in die polder.

Maar daar kwam ook bij dat ik m'n moeder thuis hielp, want die had natuurlijk een groot gezin. Ik heb niet onder dwang geleefd, want ik had het uit mezelf, ik moest helpen. Dan sneed ik de andijvie voor m'n moeder en dat ging in een grote teil, in de kamer onder de tafel. Slang aan de kraan en dan liet ze die teil vollopen. Twee grote emmers andijvie waren er dan. 's Morgens vroeg, als 't goed weer was en je stond op en je had gegeten, gewassen en aangekleed om naar school te gaan, haalde ik alle dekens van 't bed af. Dan gooide ik de ramen open, want ik was heel sterk toen ik klein was en bijdehand en pittig, ik kwam uit een groot gezin, nou dan leer je 't wel. Dan hing ik de dekens buiten uit alle vier de slaapkamers en schudde ik de kussens op. Als ik om twaalf uur uit school kwam maakte ik alles eerst aan kant, want m'n moeder was alweer met de prak bezig om 's avonds op tafel te zetten. En strijken natuurlijk en wassen. Gelukkig hadden we een wasmachine, daar had m'n vader voor gezorgd. Een houten geval, net 'n eethoektafel, met een wringer erop.

Die stond in een van de slaapkamers. Aan de kant een tweepersoons bed en in de hoek wasmachine. We hebben ook nog een oom in huis gehad, Ome Willem, de broer van m'n vader. Dat was 'n ouwe koloniaal en toen z'n vrouw was overleden kwam die ook maar bij ons in huis. Altijd schoon en helder, 'n grote frisse kerel.

Ikzelf was 'n bedpisser. Ik heb tot m'n elfde in bed geplast, daar ben ik ook twee keer voor naar de kinderkolonie geweest. Toen de oorlog uitbrak, op 10 mei, was ik net naar huis gekomen van zes weken in Bergen aan Zee. Al die Nederlandse soldaten lagen daar klaar aan het strand en als het mooi weer was, lagen ze met hun petje zo half over hun ogen. Wij gingen met die zusters naar het strand toe en geintjes maken met die soldaten. We vulden die petjes met zand en als ie dan wakker werd pakte hij dat petje en had ie dat zand in z'n gezicht.

 

Met kinderen die op school gecontroleerd werden, die niet zo gezond waren of sterk. Die moesten daarheen om een beetje bij te komen, in de boslucht, zeelucht. Het was hartstikke leuk, als je door het raam keek dan zag je allemaal bomen. Wij hadden natuurlijk een groot zeil op ons bed, voor 't plassen, om het bed niet te beschadigen. Ik vond 't leuk, al die zusters om je heen en dan ging je naar de eetzaal en daar stond je brood klaar. Schalen met brood, en altijd blikken met appelstroop op tafel.

Na het eten gingen we naar buiten, de bossen in met die zusters, en 's avonds zullen we wel bijtijds naar bed gemoeten zijn. Er waren natuurlijk kinderen die moesten opknappen.

 

Op 10 mei brak die oorlog uit en was ik elf. M'n broer werkte toentertijd bij de PTT en die droeg toen schoenen met ijzers erom tegen het slijten. Ik lag die avond in bed, maar je voelde de spanning he, ik kon niets slapen. Toen m'n broer 's avonds laat met die schoenen de trappen op liep, dachten we dat de Duitsers kwamen. M'n moeder begon te schreeuwen, die had helemaal geen erg in dat m'n broer thuiskwam.

 

M'n vader werkte op de gasfabriek en die had drieploegendienst. Als die thuiskwam van de nachtdienst moest ie slapen en als wij dan om twaalf uur binnenkwamen van school was het altijd: "Sssst, je vader slaapt, die heb gewerkt." Maar ja, kinderen rennen en dan kwam ie er wel eens uit en zei ie: "Ik kan niet slapen met dat geschreeuw." Maar die man heb toch zo'n 48 jaar op de gasfabriek gewerkt. Hij was reserveportier en als ie dan avonddienst had, pakte m'n moeder 's avonds een pannetje eten in met een theedoek erom en dat moest ik dan naar hem toe brengen. Op de terugweg moest ik altijd ome Willem ophalen. Die zat veel in 't Westerpark, want die was blind, en hij vond 't lekker om niet de hele dag thuis te zitten. Dan ging ie bij de mensen in 't park zitten. Vroeger zaten ze daar vaak te klaverjassen, en hij mocht er gerust bij zitten want hij kon 't toch niet zien. Dus om 'n uur of vijf, half zes liep ik met die grote kerel, want het was een boom van een kerel, aan z'n hand en dan bracht ik 'm weer thuis.

 

In de oorlog hing ik vaak 's nachts met m'n vader uit het raam. Dan gingen die zoeklichten de lucht in en kon je de krant wel lezen, zo licht was het. Ze schoten op die vliegtuigen, als die in die lichtbundels waren. Dan hoorde je: boem! boem! Op 't laatst stond de hele polder vol met Duitse kanonnen.

Als meissie zijnde wilde ik een keer met m'n vriendinnetjes zwemmen en toen werden we weggejaagd door die Duitsers. We mochten daar niet zitten, want wat gingen zij doen? Ze gingen vissen en ze gooiden granaten in het water. Als die granaten sprongen kwamen de vissen dood boven drijven.

 

Je was altijd bang, altijd bang. Als ik naar noord ging, moest je over met de pont natuurlijk, maar de Duitsers hadden al die ponten aan mekaar geketend, dus dat werd 'n brug. Als je erop ging, stond er zo'n grote soldaat met een groot geweer en een helm op aan de ene kant en ook een aan de andere kant. Ze hebben ons nooit aangehouden, maar ik was altijd als de beroerte, want je hoorde natuurlijk veel als kind. Niet over concentratiekampen, dat was in 't begin niet. Op het laatst werd het veel slechter. Niet voor ons want m'n vader werkte op de gasfabriek en ik had vier broers die geld verdienden, die ook een inkomentje inbrachten. Het was wel niet veel, maar m'n moeder kon alle dagen nog een stukkie vlees op tafel brengen.

Op 't laatst natuurlijk niet meer. Toen raakte 't op. Ik ging pekel halen bij een vrouw en dat was onze jus. Pekelzuur. We hadden altijd aardappelen in huis, want ik m'n broers konden veel jatten in de polder. Die waren daar opgegroeid en ze wisten precies waar de aardappelen lagen. Ik ben ook wel eens 's nachts de deur uitgegaan om de suikerbietenputten leeghalen. Het enigste licht wat je dan zag was het spoorhuissie, waar de man zat die het spoor regelde.

 

Op 't laatst had je razzia's. Dan vingen ze mensen op die met de fiets waren, en die moesten hun fiets inleveren. Als ze dan een beetje protesteerden kregen ze een klap in hun gezicht. En Ausweis, he, Ausweis. En toen kwam die hongerwinter en werd het nog erger. Wij hadden toen vier jongens in Duitsland, vier broers, en als 's nachts de vliegtuigen overkwamen, urenlang, liep m'n moeder te janken. Die dingen vlogen naar Duitsland om te bombarderen, natuurlijk.

In de hongerwinter ben ik naar de meester gegaan, naar Piet Scheffer, die was onze meester, en die had later 'n orkest, de Sky Masters, net als de Ramblers. Ik heb gevraagd of ik niet meer naar school hoefde, want het was toch een rotzooitje op die school.

 

Toen wij naar Halfweg liepen met de vakantie, waren er ook joodse meissies. Ik weet nog heel goed omdat ik het zelf ook gedaan heb, dat je zei: "Du bist Jude, he?" Nog op z'n Duits ook. "Du bist Jude." "Jij bent een jood." "Ja," zeiden ze dan, "maar jij bent christen."

Echt ruzie met die meissies heb ik niet gemaakt, maar dat ving je op, he. Wat je opvangt als kind, daar maak je misbruik van of gebruik.

En dan kwam die hongerwinter. Vreselijke armoe, koud. Mijn vader had schotten gemaakt van triplex, en die kon je zó voor de ramen schuiven en daar dan boven op zwart verduisteringspapier. We hadden carbidlampen in huis, dat stonk! Maar ja, je had wel licht. En ik ging altijd naar m'n buurvrouw beneden, dat was 'n katholiek gezin, en die hadden 'n fiets in de kamer staan waar ze stroom mee opwekten, met de dynamo. Die kinderen waren 't op 't laatst zó beu om op die fiets te zitten. Maar ik vond dat leuk, want ik hoefde niet, ik mocht. Ik zat dan te trappen en dan hadden hun steeds licht. Tot je ook moe werd en weer naar boven ging.

 

Mijn broers zaten allemaal in Berlijn. Eentje werkte bij de film, Appie, en twee moesten van de PTT naar Duitsland. Ze schreven naar m'n moeder en ze maakten ook geld over. Ik ben menig keer met haar naar het postkantoor gegaan en dan kreeg ze weer wat van Henk, en dan weer wat van Wim. , De ene heeft een half uurtje voor de bevrijding van Berlijn meegemaakt dat mijn broer Henk, op 21 jaar door granaatscherven werd getroffen. Niet lang daarna kwamen de Russen, ook in dat gebombardeerde huis waar mijn broer lag. Hij was in zijn slaap getroffen en had een grote wond in z'n maag. Maar m'n broer was bij 'm gebleven totdat ie z'n ogen sloot, toen moest ie 'm loslaten. Daarna moest ie Berlijn uit, naar buiten, en dat heeft zo'n dag of tien geduurd. Toen is ie weer teruggegaan en heb ie gevraagd aan de Duitse vrouwen in de omgeving waar die lijken waren gebleven. Die waren allemaal op 't Alexanderplatz begraven, in massagraven.

Ik haalde in die tijd altijd de post op voor m'n moeder en we zaten natuurlijk te smachten naar dat die jongens terugkwamen. Toen kwam er 'n kaartje van Wim, dat ie tot z'n spijt moest schrijven dat onze arme Henk gevallen was. Dat vergeet ik nooit. Maar ik was 15 jaar, dus ik dacht, Henk is gevallen? Nou, die is dus gestruikeld. Ik kom met dat kaartje binnen bij m'n moeder en ik zeg: "D'r is een kaartje van Wim, uit Heelsum, daar zit ie, maar onze arme Henk is gevallen."

M'n moeder kijkt me an, die scheurt dat kaartje uit m'n handen en leest. Nou die begon te brullen natuurlijk. Want die begreep wel dat ie dood was. Dat was natuurlijk 'n vreselijke toestand. Alle buren kwamen binnen en de buuf van Molenaar liep ook maar te gillen van: "M'n Japie is niet terug. M'n Japie is dood." Uiteindelijk bleek die 't te hebben overleefd, maar evenzogoed.

Het was allemaal ellende. We waren aan 't stelen en aan 't roven en we gingen op drie hoog op de Spaarndammerdijk staan en daar keek je zo door de polder heen. Als er dan een auto kwam gingen we naar beneden en als ze dichtbij kwamen hadden ze wel eens grote zakken aardappelen bij zich. Voor de Duitsers.

Die chauffeurs maakten dan in het vuur van die gasgenerators, daar reden die autos toen op, hun poken heet, want ze wisten dat er plunderploegen stonden in Amsterdam. Dan maakten ze die poken heet en gingen op die meute af met die gloeiende rode poken. En dan werd er geschoten en dan werd er weer een getroffen.

Ik weet ook nog dat er een keer een kolenwagen aankwam, en dat ik toen m'n jas heb uitgegooid. Er waren mensen die die kolenzakken eraf gooiden en die gingen soms ook wel eens stuk op straat. De kolen die los lagen gooide ik dan in m'n jas. Toen werd Japie Bos ook in z'n buik geschoten.
Ik heb ook wel 's gelopen waar de spoortreinen stonden, bij het Stenen Hoofd. Ik liep daar met een paar meissies en toen zwaaiden die Duitsers naar ons dat we moesten komen. Bij die wagons stonden een paar mannen, of ze die nou gearresteerd hadden weet ik niet, en die stonden daar allemaal met hun handen in hun nek. Wij moesten blijven staan, want die werden doodgeschoten en daar moesten we naar kijken. Op een gegeven moment toen hebben ze hun eigen toch weer bedacht, toen werden wij weggestuurd. Dus ik weet eigenlijk nooit of die mensen nou doodgeschoten zijn.

 

Ik weet nog dat op een hoog 'n hele arme vrouw woonde en die 'n jongetje Maxi, Maxi Looy. En die vrouw kwam op een keer 's avonds binnenvallen: "O buurman," zegt ze, "Maxi ligt op sterven. M'n Maxi gaat dood." M'n vader had toen wat melk en die is met 'r mee naar beneden gegaan en die heb 'n beetje melk warm gemaakt. Of dat nou z'n redding is geweest weten we niet, maar in ieder geval is hij niet doodgegaan.

De mensen gingen op 't laatst ook hebberig worden. Mensen die het wel lekker hadden deden hun deur op slot. Ik ken een vrouwtje die een kat in de hongerwinter en die kat hebben ze gevangen en het vlees opgegeten. Dat bontje hebben ze daarna aan de kruk van d'r deur gehangen. Dat is de gemenigheid wat in de mens zit, dat kwaaie. Dat je die kat opeet uit honger kan ik me nog indenken, maar niet nog bij de mensen waar die kat van is het velletje aan de deur te hangen, aan de knop.

 

Ik heb ook een schoolmeester weg zien halen. D'r kwam een grote auto voor de deur, van de Sicherheitsdienst, en die kwamen de joodse meester uit de school halen. Meester Pop heette ie. Nou, die werd zo weggehaald.

Op het Zaandammerplein hadden we ook een NSBer wonen. Dat wisten we, want die jongen kwam in z'n Jeugdstormpakkie op school. Toen meester Pop was weggehaald hebben we allemaal oranje rondjes, hoe we daaraan gekomen zijn weet ik niet, op de ramen van z'n huis geplakt. Uit pesterij, maar je kon je gevoel niet anders uiten.

 

Ik heb niet eens de zesde klas doorlopen. Ik had aan m'n meester gevraagd of ik niet meer hoefde te komen omdat m'n moeder ziek werd en we moesten hulp hebben. Daar gaf ie toestemming voor want het was toch een rotzooi.

Toen was de oorlog afgelopen en kwamen de jongens terug uit Duitsland, behalve een. En dan ga je feest maken met die bevrijdingsfeesten, maar eigenlijk is er niks te vieren. Ja, d'r is wel wat te vieren en dat hebben we ook gedaan, want ik weet nog dat m'n zuster d'r eigen verkleed had als een Hawaiiaanse met zo'n rieten rokkie om, en d'r gezicht zwart gemaakt en gouden oorbellen in. Maar nee, ik kon niet zo feest vieren, omdat m'n broer dood was. Dat ging zó door me heen. Als ik dan een trein hoorde vertrekken en ik was in de kamer, drie hoog op het plein, dan liep ik naar achteren, naar het slaapkamertje en stond ik te janken. In een keer, weet je. Zo verwerkte ik dat. M'n broer is dood, komt nooit meer terug.

Naderhand kreeg je die wederopbouw, nou ja, dat was werken, werken, werken. Als zestienjarige naar Albert Heijn, met de trein 's morgens vroeg, met de wagon. Dan ging je dozen met vermicelli inpakken tot 't niet meer beviel. Je kon overal werken. Toen ben ik bij 'n mevrouw terechtgekomen die had een accordeonzaak en die woonde in de Sarphatistraat. Daar ben ik geweest als dienstmeisje en daar werd ik heel goed behandeld. Ik was er alleen met hun kind en zij waren er niet want die stonden in de zaak.

Naderhand ben ik bij Turmac gaan werken. De sigarettenfabriek en toen stond die mevrouw op een gegeven moment voor de poort. Ze wou met me praten, want zij hadden plannen om te gaan emigreren en ze hadden het erover gehad om mij mee te nemen. Of dat mocht van m'n vader en moeder. Ik zeg: "Nee hoor, ik ga niet bij m'n moeder zo ver weg. Ik hou veel van u en Lizzy, maar ik ga niet met u mee. M'n moeder kan me niet missen."

Zo ben ik van de ene mevrouw naar de andere gegaan tot dat ik op m'n achttiende trouwde. Ik heb 'n leven lang gewerkt, werkhuissies, ziekenhuis, politiebureau, in de kerk, overal heb ik schoongemaakt. Dus waar het schoon is ben ik geweest.

 

En er waren ook knokpartijen. Buurten tegen buurten. Jongens met stokken die oorlogje voeren. Ik deed daar ook aan mee, maar ik was dan de rode kruiszuster, en dan liep ik mee. Als er dan twee jongens hadden gevochten en er viel er eentje zogenaamd gewond neer, dan ging ik 'm helpen.

Ik geloof dat die andere jongens uit de Jordaan kwamen.

 

M'n vader heb zich nooit bij een politieke partij aangesloten. Moeder helemaal niet. En m'n broers ook niet. En m'n zusters ook niet. Ik was de enige. Nou, ja en ome Willem dan. Mijn vader en hij konden mekaar toch ergens politiek niet luchten. Want ome Willem wou in de oorlog de Nederlandse zender aan en dat dorst m'n vader niet. Dan zei ie: "Willem, ik doe het niet, want ik heb kinderen en die gaan praten op straat. Dat we naar de Engelse zender luisteren." In de oorlog was dat verboden.

 

Ik heb zelf eens een paar broden thuis gebracht, uit een bakkerskar in de polder. Die werd aangevallen door mensen die honger hadden, de klep ging open en die bakker ging maar weg, anders werd ie in mekaar geslagen. Die mensen haalden brood uit die kar en toen kwam ik dus even later hollend thuis met twee broden. Een uur naderhand kwamen m'n broers en je wil 't niet geloven, maar die hadden zo'n kluit roomboter.

Ze gingen ook de polder in en dan namen ze kippen mee uit die kippenhokken. Die werden hun nek opgedraaid en bij ons gauw geplukt 's nachts. Dat deed m'n vader en dan gauw alles opruimen voordat de politie kwam. Alles moest vlug. Je kon ieder ogenblik opgepakt worden.

Maar kolen roven mochten we niet. Mijn vader werkte op de gasfabriek en we mochten daar niks pikken omdat ie dan ontslag kon krijgen. Weet je wel, die speelde met z'n pensioen. Die zei altijd: "Daar zorg ik wel voor, voor kolen. Niet rotzooien daar op die dijk."

Het was ook heel gevaarlijk daar, want er echt geschoten op je.

 

Nee, ik zag niet anders als kolen, en dan dat kantoor en die mooie huizen. Daar woonden de directeuren in. Maar hij heeft er 48 jaar gewerkt, trouwe dienst, hij heeft nog 'n getuigschrift van ik meen burgemeester D'Ailly. Dat hing aan de muur bij ons.

 

Stientje had een kousenreparatie. Als je vroeger een nylonkous had en daar zat een laddertje in dan kon je 'm weggooien. Zij had een apparaatje, daarmee kon je weer terughalen.

Hier vooraan in de Spaarndammerstraat, effetjes om de hoek bij Nachtegaal.

 

Na de oorlog waren er wat huizen beschadigd en er waren veel zolders gesloopt voor brandhout. Bij de tramrailsen waren de houten blokjes eruit. De mensen waren straatarm. Je had niks meer, het was allemaal vodden, ze hadden niks. Mijn eerste werkhuisje was bij iemand die uit het concentratiekamp kwam. Vaak vergeet ik het, maar vaak komt het ook weer naar boven. Die vrouw lag zo uitgemergeld in een ledikant. Daar schrok ik zo van, want wat was ik, een meisje van vijftien jaar. Ik ging daar naartoe om schoon te maken. Het was een heel oud huis, er stond een grote piespot onder het bed, eigenlijk moest je er een schilderij van maken, maar ik ben er zo naar van geworden. Het waren heel nerveuze mensen, maar naderhand begreep ik het. Dat waren mensen die de boel overleefd hadden, maar dat werd tegen mij niet verteld toen ik daar als 15-jarige me eigen aanmeldde. Ik ben een paar dagen geweest en toen kon ik het niet meer opbrengen. Ben ik zo weggebleven. Ik heb 't geloof ik ook niet aan m'n moeder verteld.

 

Mijn man heeft ook drie jaar in Duitsland gezeten en die kwam pas met zijn verhalen toen we getrouwd waren. Dus alles wat fascisme was, dat was rot en moord. Nou ja, ik had al een antipathie tegen oorlog en ik was bang, en mijn angst heb ik omgezet in strijd. Wat ik er op mijn manier tegen doen kon was me aansluiten bij de vredesbeweging, bij het anti-racisme en de CPN. Ja, want daar werd je er van bewust gemaakt dat je van het kapitalisme niks hoefde te verwachten. Ik werd communist toen ik hoorde van dat ze in Rusland de dingen anders deden. Ja, het is heel moeilijk als je niet zo intelligent bent, daarom trappen er ook een hoop mensen in natuurlijk.

 

Opgemaakte tekst

 

 
 
 

Opgemaakte tekst